Top menu

Werken aan dode stenen en levende harten op Joodse begraafplaats

Door: Annemarie van Heijningen-Steenbergen

GRONINGEN – Op de anders zo stille Joodse begraafplaatsen in Groningen is het ongewoon druk. Hogedrukreinigers spuiten verweerde zerken schoon. Vrijwilligers halen onkruid weg. Verbleekte letters worden zorgvuldig bijgeschilderd.

Het is de jaarlijkse werkweek van het onderhoud aan Joodse begraafplaatsen, georganiseerd door christenen uit Groningen. Op deze manier bieden ze de Joodse gemeenschap een helpende hand.

Verspreid tussen de graven zitten zo’n twintig, dertig vrijwilligers. De sfeer is goed. Er wordt gezellig gepraat en tegelijkertijd hard gewerkt. De meesten zetten zich al jaren in voor het onderhoud van de Joodse begraafplaatsen.

Een van de vrijwilligsters –ze vindt het niet nodig dat haar naam in de krant wordt genoemd– wil graag over haar motivatie vertellen. „Sinds de Tweede Wereldoorlog is ook in Groningen de Joodse gemeenschap schrikbarend klein geworden. Veel verschrikkingen die het volk door de eeuwen heen zijn aangedaan, vinden hun oorsprong in de christelijke kerken. Dat is een schuld die niet kwijt te schelden is. Omdat we graag iets wilden doen voor de Joodse gemeenschap hebben we twaalf jaar geleden onze diensten aangeboden.”

Het hulpaanbod werd, met de nodige aarzeling, uiteindelijk aanvaard. Pijn uit het verleden, van generaties her, bleek zich niet gemakkelijk te laten wegwissen.

„Het was echt aftasten over en weer. Maar in de loop van de jaren is er een hechte samenwerking ontstaan. Dat is kostbaar. In het gezamenlijk onderhouden van de Joodse begraafplaatsen kunnen we iets van wat we voelen handen en voeten geven.”

De vrijwilliger zegt ontroering te ervaren als ze op de Joodse begraafplaats bezig is. „Er is liefde en verbondenheid. Er is veel fout gegaan in het verleden – dat we dit mogen doen, staat daar niet toe in verhouding. En toch heeft dit iets van troost, van heling. Werken aan dode stenen is werken aan levende harten.”

De basis van het initiatief ligt bij de landelijke Stichting Boete en Verzoening, die ruim dertig jaar bestaat. Bestuurslid Aafke Stoppels uit Groningen vertelt dat deze organisatie meer beoogt dan alleen verzoening met het Joodse volk. „We kijken naar onze geschiedenis. Overal waar wij als Nederlanders een kwalijke rol hebben gespeeld –denk aan de slavenhandel en het kolonialisme– ligt nog een schuld.”

Stoppels stelt dat Nederlanders zich in het verleden vaak hebben „verrijkt ten koste van de medemens. Voor deze zwarte bladzijden in de geschiedenis, organiseren wij zogenaamde verzoeningsreizen. Als vertegenwoordigers van het Nederlandse volk spreken we alsnog berouw uit over onze daden. Bij de mensen die in het verleden slachtoffer geworden zijn van onze voorouders leeft nog altijd weerzin ten opzichte van Nederlanders. Daar willen we iets mee doen.”

Voor de gedachte achter dit initiatief verwijst Stoppels naar Mattheüs 5:23. „Als je wilt offeren en je herinnert je dat je broeder iets tegen je heeft, moet je dat offer even later zitten en je eerst verzoenen met je broeder. Dat is precies wat we willen.”

R. Vleesblok van de Joodse gemeenschap in Groningen stelt het werk zeer op prijs. „Het komt uit een goed hart. Toen we dit twaalf jaar geleden aangeboden kregen, waren we terughoudend. Wat wilden deze mensen? Inmiddels is er een hechte band ontstaan. Ze zijn duidelijk in hun motivatie: ze willen graag iets doen, niets meer en niets minder. We zijn er blij mee.”

Reageren is niet (meer) mogelijk.