Top menu

S.L.A. Plekker

geschreven door Noord-Hollands Archief,
gepubliceerd op 11 januari 2011.

Kroniek van bezet Haarlem: Jodenvervolging – de aanloop

‘Ik had altijd gedacht dat het aan ons voorbij zou gaan. Nederland was in de eerste wereldoorlog toch ook neutraal gebleven? De tiende mei kwam voor mij als een donderslag bij heldere hemel’. Jaap de Vries was niet de enige joodse Haarlemmer die er zo over dacht. De Vries en andere joden meenden in Nederland veilig te zijn, daar gevrijwaard te kunnen blijven voor de Duitse jodenvervolging. Direct na de capitulatie pleegden tien Haarlemse joden zelfmoord, uit angst voor wat hen te wachten stond. Sommige andere joden waren niet gerust geweest op een gunstige afloop. Als ze de mogelijkheid zagen, emigreerden ze al voor mei 1940, meestal naar de Verenigden Staten. In Haarlem bleven ongeveer 1100 mensen achter die volgens de Duitse definitie tot het ‘joodse ras’ behoorden, dat wil zeggen dat ze minimaal drie joodse grootouders hadden. Op hen, de zogenaamde Volljuden, zou de vervolging zich in de eerste plaats richten.

Toenemend isolement
De Duitse bezetters hebben de joden stapsgewijs van de overige Nederlanders afgezonderd en geïsoleerd. Het begon met een maatregel die op het eerste gezicht weinig voorstelde. Vanaf 1 juli 1940 mochten joden niet langer deel uitmaken van de Luchtbeschermingsdienst. Maar al snel volgden andere uitsluitingen. Drie maanden later werd het aan Nederlandse overheidsinstellingen verboden joden in dienst nemen of te bevorderen. Iedereen die, in wat voor vorm ook, in dienst was van de overheid moest een verklaring indienen. Daarin moest hij of zij aangeven of hij jood was, maar ook of zijn echtgeno(o)t(e) of verloofde dat was. Deze verklaring, die bekend kwam te staan als ‘Ariërverklaring’, is door bijna alle Nederlandse ambtenaren ingevuld. Het logische vervolg kwam op 21 november 1940 : joden werden uit overheidsdienst ontslagen. Daarna nam hun uitsluiting gaandeweg akeliger vormen aan. Haarlem geniet de trieste primeur op 1 april 1941 de eerste stad in Nederland te zijn geweest waar het aan joden verboden werd in allerlei publieke lokaliteiten zoals café’s, schouwburgen, bioscopen e.d. te komen. Dat was het ‘visitekaartje’ van de in maart 1941 aangetreden NSB burgemeester Plekker.

Installatie van de burgemeester-commissaris S.L.A. Plekker door de Commissaris in Noord-Holland Mr. A.J. Backer (rechts), 10 maart 1941.

Bij hem moesten de joden vanaf april 1941 ook aankloppen als ze wilden verhuizen. Zonder speciale toestemming was dat verboden. Ongeveer tezelfdertijd kwamen joodse ondernemingen onder beheer te staan van een Duitse ‘Verwalter’ (bestuurder). Meestal leidde dat tot opheffing van de, feitelijk onteigende, bedrijven. Ingaande mei 1941 mochten joodse advocaten, notarissen en dergelijke voortaan alleen nog maar joodse cliënten hebben. Met ingang van het schooljaar 1941/42 moesten joodse leerlingen naar speciale joodse scholen gaan. En op 29 april 1942 werd de jodenster ingevoerd die altijd buitenshuis, ook op het balkon en in de deuropening, zichtbaar op de kleding aanwezig moest zijn.

Registratie
Ruim een jaar daarvoor had een inventarisatie plaatsgevonden van de joodse bevolking. Op 10 januari 1941 was namelijk bekendgemaakt dat joden zich binnen vier weken dienden aan te melden bij de afdeling bevolking op het stadhuis. Die meldingsplicht gold niet alleen voor Volljuden. Iedereen met ten minste één joodse grootouder moest eraan voldoen. Waarschijnlijk hebben bijna alle, zoniet alle, joden gehoor gegeven aan de oproep zich te melden. Het was moeilijk om daar onder uit te komen, want in Haarlem liepen verraders rond. Op het stadhuis kwamen anonieme briefjes binnen met teksten als: ‘Mijnheer de wethouder, bij de Haarlemsche Orkestvereeniging speelt jood X, die zich niet heeft aangemeld’. Daarop volgde steevast een onderzoek. In het bevolkingsregister kregen de persoonskaarten van joodse Haarlemmers een apart ruitertje. Zo konden ze gemakkelijk gevonden worden als dat nodig mocht zijn.

Een grote “J”
In oktober 1940 besloten de bezetters dat Nederlanders zich altijd moesten kunnen identificeren. Iedereen diende een persoonsbewijs, het beruchte ‘Ausweis’, bij zich te hebben. Het duurde tot mei 1942 voordat iedereen zo’n persoonsbewijs had. Ambtenaren op het stadhuis, die bij de afgifte van de nieuwe identiteitsbewijzen betrokken waren, moesten bijvoorbeeld eerst nog leren om vingerafdrukken te maken. Joden kregen een Ausweis waarop, zeer zichtbaar, een grote gele hoofdletter ‘J’ stond afgedrukt.

Van isolement naar deportatie
In mei 1942 waren de joden bijna geheel geïsoleerd. Joodse ambtenaren waren ontslagen, joodse ondernemers onteigend, joodse kinderen van de gewone scholen verwijderd. In openbare lokaliteiten mochten joden niet meer verschijnen. Op straat waren ze herkenbaar aan hun sterren. Bijna zeventig werkloze, oftewel werkloos gemaakte, joodse Haarlemmers zijn in het voorjaar van 1942 naar Nederlandse werkkampen in Vledder en Ommen gestuurd. Daarmee was de deportatie van de joodse bevolking uit Haarlem begonnen.

Literatuur
* Kees van der Linden, “Der Adolf hat uns nicht besiegt”. Overlevenden van de vervolging over de ondergang van de joodse gemeenschap in Haarlem’, in: idem, Jaap Temminck en Wim de Wagt, Kom ga sjoelen. Bijdragen over de geschiedenis van de joodse gemeenschap in Haarlem (Haarlem 1999) 37-60.
* J.J. Temminck, ‘Vertrokken onbekend waarheen. De Haarlemse joden in de Tweede Wereldoorlog’, in: Jaarboek Haerlem 1995 (Haarlem 1996) 139-171.

 

Reageren is niet (meer) mogelijk.