Top menu

Pogingen tot overleven

‘Mijn vader wilde naar het kamp toe. Hij kreeg een oproep zich te melden en wilde gaan, omdat hij dacht dat hij te werk zou worden gesteld. Mijn moeder smeekte hem niet te gaan, ze was doodsbang. Uiteindelijk liet hij zich overhalen en zijn we ondergedoken’, vertelde Liesje de Vries na de oorlog. Feitelijk waren er voor joden slechts twee manieren om aan deportatie naar de kampen te ontkomen: onderduiken of proberen via een vluchtroute Zwitserland of Engeland te bereiken. Na februari 1943 mochten joden niet meer in Haarlem wonen. Plichtsgetrouw als altijd maakten de ambtenaren van de afdeling bevolking de balans op van de deportaties en gedwongen volksverhuizing. Het bleek dat 523 joden administratief spoorloos uit de stad verdwenen waren; vertrokken zonder een adres op te geven. Die joden hadden, zo moeten we aannemen, een onderduikadres gevonden. Zoiets meldde je uiteraard niet op het stadhuis.

Vluchten
Vluchten naar Zwitserland of via Spanje naar Engeland was moeilijk en gevaarlijk, soms ook kostbaar. Jaap Leuvenberg, die aan het Frans Halsplein woonde, slaagde erin. Met zijn vrouw Dolly stapte hij op de trein naar Zwitserland. ‘Onze persoonsbewijzen met die grote J erin hadden we thuisgelaten, we reisden met onze paspoorten’. Zijn jongere broer Isaak deed het hem later na, ook met succes. Maar zijn oudste zuster werd met haar man en twee kinderen gepakt en kwamen om in het concentratiekamp Mauthausen. Ook Sonja Frenk werd bij een vluchtpoging gearresteerd. Zij was één van de twee joodse vriendinnen van Hannie Schaft en zat ondergedoken bij Hannies ouders. Ze kon het ondergedoken leven niet aan en zocht contact met een organisatie die vluchten naar Spanje op touw zette. Ze moest voor haar vlucht 5.000 gulden betalen. In Lyon werd ze verraden en gedeporteerd naar Auschwitz.

Onderduiken
Bijna alle joden die aan deportatie wilden ontkomen, waren aangewezen op een onderduikadres. Onderduiken, zo blijkt uit de woorden van Liesje de Vries, was geen gemakkelijke keuze. Daar kwam veel bij kijken. Je moest je leven en veiligheid overgeven aan een ander. Bovendien wist je dat je die ander in gevaar bracht, want de Duitsers hadden aangekondigd dat iedereen die joden hielp ‘als joden behandeld zou worden’. Joden die met hun gezin wilden onderduiken hadden het extra moeilijk. Bij veel onderduikadressen was daarvoor geen ruimte. Je moest mensen kennen die je in huis wilden nemen of over contacten beschikten die je naar behulpzame en betrouwbare Nederlanders konden brengen. Je kon niet meer legaal aan bonnen komen die nodig waren om voedsel te kopen. Vaak bleek het nodig om van onderduikadres te veranderen. Dat kon alleen met een vervalst persoonsbewijs. Het in huis nemen van een onderduiker kostte geld, er waren extra kosten voor voedsel, verwarming en kleding. Als het even kon wilde een onderduiker zijn gastheer of -vrouw ten minste financieel schadeloos stellen voor hun inspanningen. Joden die over enig kapitaal beschikten hadden het daarom gemakkelijker dan arme joden. Na verloop van tijd werd het verzet er steeds beter in om ook voor arme onderduikers te zorgen, maar in de tweede helft van 1942, toen de deportaties begonnen, was dat nog niet goed geregeld.

Ondergedoken leven
Van het ondergedoken leven kunnen we ons tegenwoordig nauwelijks een voorstelling maken. Er waren joden die jarenlang de buitenlucht niet zagen en er waren joden die bij een boer op het land gewoon meewerkten. Sommige joden konden het uitstekend vinden met hun gastheren en -vrouwen, op andere onderduikadressen braken ruzies uit. Onderduikers werden soms ziek, of overleden zelfs, en wat dan te doen? Ondergedokenen in een rijtjeshuis mochten tijdens de afwezigheid van de legale bewoners geen enkel geluid maken, mochten bijvoorbeeld de wc niet doortrekken. Vaak verkeerden ze in martelende onzekerheid over het lot van hun familieleden en vrienden. En voortdurend dreigde verraad.

Verraden
Isaak L. Worms en zijn vrouw werden op een wel zeer schokkende wijze verraden. Ze arriveerden op hun onderduikadres in de Bilderdijkstraat. Al meteen moesten ze duizend gulden betalen. Even later ging de bel. De man die ze zojuist betaald hadden, liet enkele geüniformeerde Duitsers binnen, wees op Worms en diens vrouw, en zei: ‘Daar zitten ze’. Het echtpaar overleed op 21 mei 1943 in Sobibor. Zo af en toe werd het verraad tijdig ontdekt. Dan kwam bijvoorbeeld op het politiebureau de melding binnen dat op een zeker tijdstip joden moesten worden opgehaald op een bepaald adres. Politiemensen die in het verzet zaten, zoals de Haarlemmer Ben Endlich, konden dan soms nog op tijd waarschuwen.

Gered
Het kon ook goed gaan. Simon van Frank ontsnapte in het huis van zijn stiefmoeder als enige ternauwernood aan arrestatie. Daarna dook hij onder in de Minahassatraat, bij ‘pa en moe Smit’. ‘Eerst zaten we er met vier, toen zes en later zelfs met twaalf onderduikers. Het huis, de stoelen, de loper op de trap, alles was na de oorlog tot op de draad versleten’. Philine Polak, die aanvankelijk tezamen met Sonja Frenk in het huis van de familie Schaft aan de Van Dortstraat ondergedoken zat, overleefde de oorlog. Maar ze moest wel uitwijken naar een ander onderduikadres, in Amsterdam, toen het huis van de familie Schaft, vanwege Hannies illegaal werk, niet langer veilig was.

Terugkeer
Onderduiken deed je lang niet altijd in je eigen woonplaats. Veel Haarlemse joden zijn buiten de stad ondergedoken, joden van elders doken in Haarlem onder. De teruggekeerde joden, die allemaal familieleden en vrienden hadden verloren, voelden zich vaak in Haarlem niet meer veilig. Verraders liepen ongestraft rond of kwamen er vanaf met een lichte straf. In hun huizen woonden anderen die niet zonder slag of stoot wilden verhuizen. Teleurgesteld en verbitterd verlieten nogal wat Haarlemse joden de stad. Ze vertrokken naar andere plaatsen in Nederland of in het buitenland, meestal naar Israël.

Literatuur

* Ton Kors, Hannie Schaft. Het levensverhaal van een vrouw in verzet tegen de nazi’s (Amsterdam, 6e druk 1981).
* Kees van der Linden, Jaap Temminck en Wim de Wagt, Kom ga sjoelen. Bijdragen over de geschiedenis van de joodse gemeenschap in Haarlem (Haarlem 1999) 37-60.
* J. Presser, Ondergang. De vervolging en de verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945. (’s Gravenhage 1965).
* J.J. Temminck, ‘Vertrokken onbekend waarheen. De Haarlemse joden in de Tweede Wereldoorlog’, in: Jaarboek Haerlem 1995 (Haarlem 1996) 139-171.

* Ter inzage in de bibliotheek van het Noord-Hollands Archief

Bron: het Noord-Hollands Archief

Reageren is niet (meer) mogelijk.