Top menu

Nederlands Israëlitische Gemeente te Haarlem

Het aantal Joden in Haarlem was eind 18e eeuw vrij klein; een telling in 1798 te Haarlem kwam op 131 uit. In de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw volgde een gestage groei. In 1941 was het ledencijfer van de kerkgemeente 925, waarvan 778 personen woonachtig waren in Haarlem en de overigen in Bloemendaal en Heemstede.

De zorgwekkende toestand van de Joden in Duitsland en de toenemende agressie van de Duitse regering zullen hun schaduwen geworpen hebben op de Joodse gemeente. De Duitse inval ontnam velen de moed; het pad leidde nu onafwendbaar naar de ondergang. Steeds meer maatregelen werden genomen om de Joden het leven moeilijk te maken, zoals ontslag uit openbare ambten, gedwongen verhuizingen, registratie (waarvoor – wrang detail- men zelf moest betalen) en onteigening van bezittingen.

Wilhelminastraat 43A

Nadat de Joodse docenten al eerder waren ontslagen, moesten in augustus 1941 ook de Joodse leerlingen de Haarlemse scholen verlaten. Voorlopig werd voor hen een eigen school ingericht in het pand Wilhelminastraat 43A. Naar voorbeeld van Amsterdam werd hier een Joodse Raad ingesteld, met als leden de opperrabbijn van het Ressort Noord-Holland Philip Frank, de voorzitter van de N.I. Gemeente Haarlem Barend Chapon en Mr. H.O. Drilsma. Zij werden met zeven anderen op 2 februari 1943 door de bezetters gefusilleerd als vergelding voor de onopgehelderde dood van een Duitse onderofficier. Dit was het einde van de Haarlemse Joodse Raad, die in de praktijk altijd ondergeschikt geweest was aan die te Amsterdam.

Tegen die tijd waren al bijna alle Joden uit Haarlem gedeporteerd, de meesten via Amsterdam naar het doorgangskamp in Westerbork en vandaar naar de vernietigingskampen in Oost Europa. Dit was in fasen gebeurd, beginnend met het aanwijzen van mannen voor de Arbeitseinsatz – gedwongen tewerkstelling – later met het selecteren van steeds meer mensen ter deportatie. Deze selectie gebeurde door de Joodse Raad in Amsterdam na overleg met de Haarlemse Joodse Raad. Deze laatste stelde een lijst op van onmisbare functionarissen, die voorlopig vrijstelling van deportatie kregen.

De eerste grote deportatie vanuit Haarlem vond plaats op 25 augustus1942. Nog voor de slachtoffers zich naar het verzamelpunt begaven, stond de Duitse politie al klaar om hun huizen te ontruimen. Een gedeelte van deze groep werd reeds binnen een week in Auschwitz vermoord. In de weken daarna werden steeds opnieuw groepen Joden opgeroepen, ook mensen die eerder waren vrijgesteld. Vrijwel allen kwamen om. Een aantal Joden lukte het om door onderduiking aan deportatie te ontkomen.

Het archief van de Gemeente werd tijdens de oorlog ondergebracht in het Gemeentearchief van Haarlem terwijl de (niet-Joodse) architect van het Joles-ziekenhuis zich over de thorarollen en andere gebruiksvoorwerpen uit de synagoge ontfermde. Dit alles kwam de oorlog ongeschonden door.

De onteigende synagoge raakte echter onherstelbaar beschadigd. De heropbouw van de Nederlands Israëlitische Gemeente Haarlem na de oorlog verliep traag. Het ledental was van de 925 uit 1941 teruggevallen naar een dertigtal. Omdat de synagoge niet beschikbaar was, werden de diensten voorlopig in een bovenzaal van het gemeenschapsgebouw gehouden.

Bron: Nationaal Archief en het NIOD

Reageren is niet (meer) mogelijk.