Top menu

Een verdoezelde geschiedenis

Naar schatting 12.000 ‘joodse’ percelen werden in de oorlog onrechtmatig onteigend. Een daarvan is de voormalige synagoge in Haarlem.

Door: Danielle Pinedo

We schrijven zaterdag 11 april 1953. De meeste Haarlemmers liggen nog op één oor, als er brand uitbreekt in een gebouw aan de Lange Begijnestraat, pal naast het Concertgebouw. Het gaat om een pand van de Grafische Inrichting Joh. Enschedé & Zn. Alleen opmerkzame omstanders verbazen zich over de bestemming die dit prachtige neogotische bouwwerk ten deel was gevallen: een opslagruimte voor papier en karton.

Die middag doet het Haarlems Dagblad verslag van de brand die, dankzij daadkrachtig ingrijpen van de plaatselijke brandweer, tijdig kan worden geblust. De verslaggever schetst ook een beknopte geschiedenis van het pand, dat voor de oorlog dienst deed als gebedsruimte voor de joodse inwoners van Haarlem. ,,In de bezetting”, zo schrijft hij ,,moest de synagoge gesloten worden en de Israëlitische gemeente verhuurde het gebouw aan de Grafische Inrichting Joh. Enschedé en Zonen N.V. Na de bevrijding was de Joodse gemeente zo klein geworden, dat zij geen behoefte meer had aan een grote synagoge. Daarom is het gebouw aan de Grafische Inrichting verkocht. In de bezetting had dit bedrijf geen verandering in het interieur gemaakt.”

Volgens de schrijvers van het boekje Kom ga sjoelen! Bijdragen over de geschiedenis van de joodse gemeenschap in Haarlem (1999) staat deze voorstelling van zaken haaks op de werkelijkheid. De auteurs doken diverse archieven in en reconstrueerden ‘een verdoezelde geschiedenis’: de ontruiming, ontheiliging en – illegale – inbeslagname van een gebedshuis dat voor de oorlog wekelijks door enkele honderden gelovigen werd bezocht.

Wie oude foto’s van de voormalige synagoge ziet, moet vaststellen dat het monumentale pand veel van zijn grandeur heeft verloren. Uit archieven van de Politieke Opsporings Dienst (POD) blijkt dat een lokaal slopersbedrijf het pand – daags na de deportatie van de laatste Haarlemse joden in 1943 – ontruimde en de inventaris op eigen terrein achterliet. Wie hiertoe de opdracht gaf, is niet te achterhalen. Opmerkelijk is wel dat de firma Enschedé in 1944 een bedrag van 440 gulden in rekening bracht bij het ‘Commissariaat van niet-commerciële vereenigingen en stichtingen’ voor ontruiming van zowel de synagoge als de voormalige joodse school in de Lange Wijngaardstraat. De vraag is alleen: waarom?

Een oude doos met ‘huurontvangsten’ in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag biedt uitkomst. Het Commissariaat, dat ‘joods’ onroerend goed voor de Duitsers beheerde, blijkt beide panden tijdens de oorlog aan de papierfabrikant te hebben verhuurd: 166,67 gulden per maand voor de synagoge, 125 voor de joodse school. De 227 joden die zich na de bevrijding weer bij de gemeente Haarlem meldden, zijn onaangenaam verrast wanneer blijkt dat zowel de inventaris als de glas-in-loodvensters van ‘hun’ synagoge ontbreken. De kerkenraad van de Nederlands Israelietische Gemeente schat de restauratiekosten op ‘ettelijke tienduizenden guldens’, zo blijkt uit notulen daterend van september 1945. De voorlezer van de Israëlietische Gemeente dient een aanklacht in tegen slopersbedrijf D.K. Michel. Niets wijst er dan nog op dat dit bedrijf slechts een onbeduidend schakeltje is in een veel groter geheel.

De POD doet hier en daar wat navraag. Een niet te achterhalen bron vertelt de opsporingsambtenaar dat de firma Enschedé de ‘gebouwen van de joden’ veiligstelde en de meubels op zolder opborg. Helaas kon niet worden verhinderd dat slopersbedrijf Michel de inventaris weghaalde. ,,Een vage aanklacht”, aldus de conclusie van de opsporingsambtenaar, die de zaak seponeert. Een broer van de sloper meldt, blijkens hetzelfde dossier, dat D.K. Michel het sloperswerk ,,heeft aangenomen”. Wie de opdrachtgever was, wordt niet achterhaald. Maar eigenlijk doet dat er niet eens zoveel toe; de joodse overlevenden willen zo snel mogelijk hun synagoge terug – met of zonder inventaris. In gedachten zijn ze al begonnen met een inzamelingsactie onder de Haarlemse burgerij.

Zover komt het nooit. Enschedé komt tot de conclusie dat het bedrijf de kostbare magazijnruimte niet kan missen. De gelovigen krijgen een lokaal in het voormalige schoolgebouw toegewezen en ontvangen vanaf dan de huur die tijdens de oorlog naar het Commissariaat werd overgemaakt. Ruim een jaar later maakt directeur Huysman bekend dat zijn firma de synagoge ,,voor een redelijk bedrag” – en onder strikte geheimhouding – wil kopen. Hij biedt zelfs aan als onderhandelaar voor de Haarlemse joden op te treden bij gesprekken met het stadsbestuur over een bouwvergunning voor een gebedshuis elders in de stad. Als die beloftes ruim een jaar later nog niet zijn ingelost, wordt Enschedé een ultimatum gesteld: binnen drie maanden eruit of gerechtelijke stappen. Na veel getouwtrek over het ‘synagoge-probleem’ wordt het pand in mei 1949 voor 150.000 gulden verkocht. Een bedrag dat toereikend is voor de aankoop en verbouwing van een villa aan het Kenaupark.

De auteurs van Kom ga sjoelen hebben de hand weten te leggen op een exemplaar van het personeelsblad van Enschedé, vlak na de brand. Op de voorpagina staat een verslag van de brand, geschreven door C. Spoelder, hoofd van de vrijwillige brandweer. ,,Een fascinerend schouwspel van de oude synagoge, die van voren tot achteren een bonk vuur vormde”, aldus de ooggetuige. Als ,,het wilde dier” met tien brandslangen is bedwongen genieten hij en zijn collega’s nog eens rustig na onder het genot van een kopje koffie.

Kees van der Linden, Jaap Temminck, Wim de Wagt. Kom ga sjoelen, uitgeverij De Frieseborch, Haarlem, 1999.

Reageren is niet (meer) mogelijk.